Vrijheid van meningsuiting is iets wat we in Nederland maar heel gewoon vinden. We maken wat graag gebruik van dit recht. Niet alleen door luidkeels tijdens demonstraties onze visie te ventileren, maar ook door tijdens een discussie op het werk te zeggen wat we van iets vinden.

Zo geheel anders maakte ik het begin jaren tachtig mee toen ik een reportage maakte van een medisch hulptransport voor Poolse kinderen. Toen we het westelijke deel van Europa verruilden voor het oostelijke deel, bevonden we ons eerst in een soort niemandsland, waarin we niet met de auto mochten stoppen. Eenmaal uit dit gebied mocht dit wel bij een wegrestaurant.

Eerst hadden we het nog niet in de gaten, maar na de eerste slok koffie viel ons op dat mensen zachtjes en onhoorbaar voor buitenstaanders tegen elkaar spraken. Alsof men bang was voor al die andere aanwezigen. En dat was ook zo. We waren in een land waar vrijheid van meningsuiting taboe was en spionnen op de loer lagen. Een ‘verkeerd’ woord of ‘gekleurde’ mening? Je kon ervoor worden opgepakt en veroordeeld. Het was voor ons westerlingen een bijzondere ervaring hoe je letterlijk de mond gesnoerd kan worden. Recht voor je raap zijn, onverholen woordgebruik en kritiek geven zijn voor ons vanzelfsprekendheden. Wij worden hierin niet gecensureerd. Het gevolg is dat het andere uiterste van elkaar de waarheid zeggen, namelijk de spot met elkaar drijven ook geen grenzen meer kent.

En eerlijk gezegd vind ik dit jammer. Het feit dat president Trump tijdens zijn inmiddels verloren verkiezingscampagne zijn rivaal Biden constant als ‘Sleepy Joe’ neerzette, getuigde naar mijn mening van weinig respect. Met modder gooien tijdens een presidentverkiezing is van alle tijden. Elkaar tot op het bot beledigen is iets wat niet hoeft. Volgens mij heeft het meer effect om iets beargumenteerd aan de kaak te stellen. Iemand belachelijk maken, het zij in woorden of via een spotprent is ons recht, maar of je hierbij werkelijk altijd ‘tot het gaatje’ moet gaan betwijfel ik.